Maar de daaropvolgende weken raakte iedereen op het schip ervan overtuugd dat ze beter aan zouden doen helemaal niets te zeggen aan de waterschouts. Ze hadden de drenkeling een behoorlijke begrafenis bezorgd, en ze konden het geld dat de ring en de horloge zouden opbrengen goed gebruiken, te meer daar het de visserij niet voor de wind ging. dus zwoeren ze allemaal een heilige eed nooit iets te verklappen, en om hun eed kracht bij te zetten sloegen ze een kruis, terwijl ze op het dek spuwden. Eens terug aan wal, verkochten ze het goud in Brugge en verdeelden het geld onder elkaar. Maar toen ze hun boot gingen schoonmaken vooraleer weer af te varen, riep een matroos, die het dek aan het schrobben was, zijn maats. hij wees naar de plek waar het opgeviste lijk had gelegen en zei: "Kijk daar eens! Ik krijg het er niet uit." Toen zagen de anderen het ook: in de planken van het dk was als het ware een menselijke gestalte gebrand. " Pak wat bruine zeep en goed schrobben" beval de schipper. Maar de donkere plek verdween niet. Zelfs niet toen ze de dekplanken schaafden. Niemand wilde nog met de boot uit vissen gaan. De schipper kon nergens nog bemanning vinden. En zo bleef de boot maandenlang aan wal, tot hij naar de werf werd gebracht om hem af te breken. Zo zie je maar dat zelfs een lijk zich kan wreken. |